Vanaf ca. 1150 verrezen er in en rond Parijs steeds hogere kerken, met de Notre-Dame als bekendste voorbeeld. Het wordt gezien als het begin van de Gotiek, een bouwstijl die zich rap verspreidde over de rest van Europa en zou voortduren tot kort na 1500.

Kerkmuren werd luchtiger door hoge spitsboogramen voorzien van kleurrijk glas-in-lood, de gewelven steunden op ranke zuilen en werden markant geribd, en aan de buitenkant werd het muurwerk gestut door ranke luchtbogen met pinakels. Onder invloed van de Gotiek gaven ook beeldhouwers hun mens-, dier- en plantfiguren een gestileerd uiterlijk met elegante houdingen, kalligrafische plooival, en sierlijke gebaren. Ondertussen sijpelden de vormen van de Gotische architectuur ook door in andere kunstvormen, bijvoorbeeld in de schilderkunst, boekverluchting, (edel)smeedwerk en meubels. Het Rijksmuseum bezit talrijke kerkelijke voorwerpen in deze stijl zoals geschilderde altaren, zilveren monstransen, houten gebedsnoten en een kleine kerstwieg.