Nederlandse kunstenaars trekken in de 17de eeuw in groten getale naar Italië. Het is een belangrijke bestemming om kunst uit de oudheid, de renaissance en uit hun eigen tijd te bestuderen.

Degenen die de Alpen oversteken, staan nu bekend als Italianisanten. Veel van hen sluiten zich in Rome aan bij de Bentvueghels, een rond 1620 opgericht broederschap van voornamelijk Nederlandse en Vlaamse kunstenaars. Ook in hun werk richten Italianisanten zich vooral op Rome en het omringende platteland. Kunstenaars als Bartholomeus Breenbergh, Jan Asselijn en Herman van Swanevelt proberen die typische, gouden gloed van het Italiaanse licht vast te leggen. Hun doeken staan vol ruïnes en scènes uit het boeren- en straatleven. De meeste Italianisanten zijn ervaren schilders, maar ook productieve en bekwame tekenaars die hun omgeving vastleggen op papier.