Potter focust eerst op historische thema’s, maar raakt al snel gefascineerd door (vee)dieren. Als geen ander heeft hij het geduld om dieren te bestuderen. Hun huid, houdingen en uitdrukkingen. Vervolgens schildert en etst hij ze hyperrealistisch in weidse en vaak zonovergoten landschappen. Paarden bij een hek, stieren in een wei. Zijn werk levert hem de bijnaam ‘de beestenschilder’ op. Via zijn welgestelde moeder krijgt Potter rond 1650 rijke opdrachtgevers in Den Haag, waaronder leden van het huis Oranje-Nassau. Lang kan Potter niet van zijn succes genieten. Als hij 29 jaar is, overlijdt hij aan tuberculose.
Aan de slag met de collectie:





































