Rozen, papavers, anjelieren en irissen: allemaal bijna niet van echt te onderscheiden. Haar werk getuigt van een grote kennis van de natuur. Die kennis doet Ruysch op in de Amsterdamse Hortus Botanicus, waar haar vader Frederik Ruysch als hoogleraar lesgeeft. Ook bestudeert ze zijn verzameling geprepareerde bloemen en insecten. De kneepjes van het vak leert ze van stillevenschilder Willem van Aelst. In 1701 wordt Ruysch als eerste vrouw lid van het Haagse kunstenaarsgenootschap Pictura. Van 1708 tot 1716 werkt ze als hofschilder voor de Duitse keurvorst Johan Willem van de Palts, een bijzonder eervolle positie. Hij is lang niet de enige bewonderaar van haar werk. De bloemstillevens van Ruysch worden tot ver buiten de landsgrenzen door liefhebbers verzameld.
Aan de slag met de collectie:










