De stijl rococo ontstaat in de jaren 1720 in Frankrijk en valt samen met de heerschappij van koning Lodewijk XV (1723-1774), vandaar de bijnaam ‘Lodewijk XV-stijl’.

De term is afgeleid van het Franse woord 'rocaille', dat ‘rotspuin’ betekent. Lichte kleuren, elegante lijnen en zwierige, gebogen vormen zetten de toon. Rococo-ornamenten doen denken aan de grilligheid van de natuur, in de vorm van bladeren, rotsen en schelpen. De stijl wordt gekenmerkt door onregelmatigheid en asymmetrie; een sterk contrast met de kunst uit de voorafgaande eeuwen. In Nederland wint het rococo vanaf 1740 aan populariteit. Een goed voorbeeld is te zien in de ontvangstkamer uit het Amsterdamse grachtenpand van de rijke koopman Mathijs Beuning en zijn vrouw Catharina Oudaen. Rococo blijft de overheersende stijl in Europa tot het in de jaren 1770 uit de mode raakt.