Aan het einde van de 17de eeuw woont de helft van de Nederlandse bevolking in steden. Dat aantal blijft daarna alleen maar toenemen.

Dankzij stedelijke handel, nijverheid en industrie is er genoeg werk in de steden en in oorlogstijd bieden de stadsmuren bescherming. Er zijn ook nadelen. Door de vervuilende industrie en het ontbreken van goede sanitaire voorzieningen is het leven in de stad, vooral in de zomer, ongezond. Bovendien sluiten de poorten na het luiden van de avondklok. Wie de stad in of uit wil, moet dus goed opletten. In steden moeten inwoners ‘poorter’ zijn om een bestuurlijke functie te vervullen of lid te worden van een gilde, wat vaak nodig is voor het uitoefenen van een beroep. Veel stadsbesturen bieden het poorterschap gratis aan om geschoolde ambachtslieden te lokken.