Vóór de grote ontginningen in de middeleeuwen bestaat Nederland grotendeels uit veengebieden. In de 10de en 11de eeuw verandert Nederland van zeventig procent natuurlandschap naar zeventig procent cultuurlandschap. In de loop der tijd worden honderden meren en plassen ingepolderd, nieuwe waterwegen gegraven, industrieterreinen aangelegd en landbouwgronden herverkaveld. Ook in andere delen van de wereld, met name in de voormalige koloniën, maken de Nederlanders grote aanpassingen in het landschap om hun eigen welvaart te bevorderen. Zoals de aanleg van plantages in Suriname of Indonesië, waarbij het landschap wordt omgezet naar rechte stukken grond voor de teelt van suikerriet, katoen en koffieplanten.
Aan de slag met de collectie:











































