Geboren in een Utrechtse familie van zilversmeden, is het carrièrepad van Adam van Vianen (1568/69-1627) al vroeg bepaald.

Rond 1590 moet Van Vianen zijn meesterproef hebben afgelegd omdat hij vanaf dat moment zelfstandig werkt en aansluit bij het smedengilde. Zijn fantasievolle objecten vertellen een verhaal in kwabachtige ornamenten en vormen. In 1614 krijgt Van Vianen van het Amsterdamse gilde de opdracht om een kan te maken ter nagedachtenis aan zijn eigen broer Paulus, die ook zilversmid was en kort daarvoor is overleden. De kan wordt een eerbetoon aan het werk en de creativiteit van zijn broer. In deze kan speelt het ornament voor het eerst de hoofdrol.