Aan het einde van de 16de eeuw heeft men in Italië een voorliefde voor het maniërisme, een stijl vol complexe composities en figuren in ingewikkelde, gedraaide poses. Rond 1600 breekt de Italiaanse barokkunstenaar Michelangelo Merisi da Caravaggio radicaal met deze kunstvorm.

Zijn figuren zijn juist heel realistisch. Gerimpelde gezichten, ongekamde haren, vuile voeten: goden en heiligen worden afgebeeld als heel gewone mensen. Caravaggio heeft een voorkeur voor sterke licht-donkercontrasten, dramatische effecten en composities met een heldere opbouw. Zijn werkwijze verspreidt zich snel over Europa. Vooral in Utrecht zijn rond 1620 veel navolgers, zogeheten Caravaggisten, te vinden. Kunstenaars als Gerard van Honthorst, Hendrick ter Brugghen en Dirck van Baburen reizen naar Rome om de stijl van Caravaggio te bestuderen. En al is hij nooit in Italië geweest, ook Rembrandt laat zich inspireren door Caravaggio’s lichteffecten.