Jan Steen (ca. 1626-1679), zoon van een Leidse graanhandelaar en bierbrouwer, koos al snel na het verlaten van de Latijnse School voor de schilderkunst.

Hij krijgt waarschijnlijk lessen van Nicolaus Knupfer, Adriaen van Ostade en Jan van Goyen. In 1648 schreef Steen zich in bij het pas opgerichte Leidse schildersgilde. Steen begint zijn loopbaan als landschapsschilder. Al snel verschuift zijn interesse naar het schilderen van Bijbelse en mythologische onderwerpen, maar vooral genrestukken met een humoristische ondertoon. Spelende kinderen, ondeugende huisdieren, rommelige tafels: de uitdrukking ‘een huishouden van Jan Steen’ wordt een synoniem voor wanordelijke gezinnen. Naast zijn schilderwerk runt Steen ook een brouwerij en opent een herberg aan huis. Hij krijgt de reputatie van een losbol, al lijkt dat vooral gebaseerd op de losbandige figuren in zijn schilderijen.